wit bloeiende ogen uit
blinde woede
gericht op zwart
de kern van de zaak
zie niet meer
dan oeverloze leegte dan
straatnaamloos straatnaamloze straten
in jouw dichte mist
van vuur
ik stik
bijna
rijmloos dichten zonder het gat op te lichten
wit bloeiende ogen uit
blinde woede
gericht op zwart
de kern van de zaak
zie niet meer
dan oeverloze leegte dan
straatnaamloos straatnaamloze straten
in jouw dichte mist
van vuur
ik stik
bijna
de schreeuw
de vraag
de ogen
een kind
het antwoord komt niet
roept vragen op
deken van stilte vol woorden
de klanken sterven paars
langzaam
vingervervend
stille dans op vage grond
explosieve kreet
traan tranen
uiteen gespat
stad der doden
stad der doden
behalve j-
de stilte van de verre lijnen
vage omtrek van horizon
gloed en tranen
badend in bloed van verlangen
verwachting
gestort
in het ravijn de oceaan het vat
zonder of juist met bodem of eind
de einder zo eindeloos en toch
begrensd
door niets en de hemel
en al wat je bent
wat ik nooit zal zijn
geheel los van aarde en hel
zweeft de halfengel der herinnering
zingt zacht een lied
stem breekbaar als een kind haast
zonder onschuld
toch niet zonder verlangen
verwachting
gestort
in het ravijn de oceaan het vat
zonder of juist met bodem of eind
een lied om het vergaan te verzachten
pijnmuur als geluidsmuur
vervaagt in blauw
of was het paars?
de grenzen zijn rood
en op haar lippen bloeien ze
als bloemen en onkruid
stekels der ontucht
vruchten van onschuld
die vruchten geproefd van haar lippen
bij donker en duister en nacht
in de schemer van eenzaamheid
diezelfde eenzaamheid
illusie geheten
en bij licht hard en koud
bloeien de vruchten opnieuw
de stekels richten zich op
naar de hemel zoals altijd
naar de verre hoge hemel
naar een vogel in vlucht
de koude bittere lucht
zo vol van vogels
om stekels naar op te richten
stekels die de vruchten doorboren
bij donker en duister en nacht
Jij zit in mij
Zit hij dan ook in jou?
Zit hij wel?
Is hij wel?
Jij dwaalt door mij
Dwaalt hij dan ook door jou?
Dwaalt hij wel?
Is hij wel?
Of is hij misschien zij?
Zit zij dan ook in jou?
Dwaalt hij dan niet door jou?
Wie zit er dan in jou te dwalen?
Of misschien
Helemaal niemand?
Beeld ik het me maar in?
Of niet?
Misschien
Zittend op een glazen muur
Gedachten die ronddwarrelen
Hageslaggedachten
In mijn hoofd en in de wind
Dan denk ik aan die vreemde wereld
Die vreemde, mooie wereld
Die alles is voor jou, en heel misschien
Een klein beetje voor mij
Maar ik weet het niet, moet ik zeggen
Wat je voelt, of ik
Of jij
Of wij?
Nee, niet wij
Nooit wij
Daarvoor ben jij te veel jij
en ik te veel ik
Daarvoor zijn wij te veel een wij
die nooit een wij kan zijn
Daar denk ik aan
Zittend op een glazen muur
Zichtbaar, open
Breekbaar
Met m’n hageslaggedachten aan jou
“Verdwijnt de ziel?”
“Soms wel, soms niet”
“Waarom blijf ik hier?”
“Omdat je liefhebt, hier” *wijst op hart*
“Ik wil niet”
“Ik weet het”
“Het doet pijn”
” ‘t kan niet meer zijn”
“Je hebt gelijk
ik voel het, wat is dat, ik voel het hier” *wijst op hart*
“Dat, schat, is je ziel”
“En gaat die dood?”
“Nooit”
“Maar daarnet zei je nog -”
“dat je ziel soms verdwijnt?
stilte, aarzeling dat bedoel je toch?”
“Ja”
“De ziel verdwijnt als jij dat toelaat”
“Nooit”
“Ik vin je lief, mijn lief”
dat zei ik
“Dat mag je niet, niet-mijn-lief”
dat zei jij
ik draaide me om
liet voetstappen achter
verdwijnend pad zo nutteloos
Ik hoor de stem
van je ogen
als je naar me kijkt
Ik hoor de woorden
de woordenstroom
als je naar me kijkt
Weg, een vogel op de vlucht
weg van de aarde ben ik
als je naar me kijkt
Ruisende bladeren in de wind
Altijd wetend wat je van me vindt
als je naar me kijkt